|
Ik was met mijn zoon aan het spelen, en het volgende dialoog deed zich voor: Ik: ik zie, ik zie, wat jij niet ziet, en de kleur is... geel! Cas: Jouw tanden. Zo fietste ik laats met mijn gezin naar huis, en het was al donker aan het worden: Janne: Ik zie de maan. Cas kijkt in de rondte, maar ziet hem nergens. Ik: Daar Cas... daar is de halve maan. Cas: Waar is de andere helft? |